Geschiedenis van de Voorwegschool

In 1980 bestond de Voorwegschool 350 jaar. Ter gelegenheid daarvan heeft de school een uitbundig feest gevierd en tevens is er een jubileumboekje verschenen getiteld:

“350 jaar Voorwegschool, 1630-1980, overzicht van een uniek jubileum”

Omdat de geschiedenis van de school voor de meeste nieuwe ouders onbekend is leek het ons een goede gelegenheid om een passage uit bovengenoemd boekje in deze informatiebrochure over te nemen. Wij hopen hiermede nog eens duidelijk te maken dat de Voorwegbasisschool ECHT de oudste basisschool van Nederland is.

schoolgebouw_voorwegschool_heemstede1
De Voorwegschool vroeger

1630

In de middeleeuwen toen het analfabetisme in onze kontreien nog welig tierde en geen leerplicht bestond, was het onderwijs als regel verbonden aan de kerken en kloosters. De graven ofwel ambachtsheren hadden het patronaat over de kerken. Eerst na de hervorming gingen de scholen geleidelijk over aan het plaatselijk bestuur van schout en schepenen (magistraat).

Ofschoon hieromtrent geen schriftelijke bronnen voorhanden zijn mag aangenomen worden dat personen gedurende de 14e – 16e eeuw in Heemstede woonachtig, die voor hun kinderen onderwijs wensten, deze naar het naburige Haarlem stuurden.

voorwegschool_schoolgebouw_heemstede_sneeuw1
De voorweg

Vermoedelijk is omstreeks 1600 in Heemstede een school opgericht. De oudste aantekening dateert van 1619 en vermeldt: “De schoolmeester is goed van leven en wordt onderhouden uit de kollekte aan de huizen”. En omdat hij goed van leven was komt zijn naam niet voor in de annalen van het onderwijs. Dat geldt niet voor zijn opvolgers. In 1621 heet de school meester/koster Aart Bruyselmans, maar deze wordt in november oneervol ontslagen. Begin 1622 volgt Paulus Pietersz. hem op en blijft tot 1630. Dan echter wordt ook hij “grovelijk misdaen hebbende” oneervol ontslagen en door de Ambachtsheer zelfs uit Heemstede verbannen.

Eind 1620 had dr. Adriaan Pauw voor 36.000 gulden het zogeheten Huis te Heemstede gekocht van de erfgenamen van koopman Hendrik van Hovijne en werd daarmede Ambachtsheer van de heerlijkheid Heemstede, dat toentertijd ook Bennebroek omvatte en in totaal 300 à 400 inwoners telde.

Pauw herstelde het kasteel, verfraaide het eigenlijk geheel. Hij laat de Heerenzandvaart graven en de Heerenlaan (thans Kerklaan) aanleggen, met o.a. als gevolg een snelle toename van het aantal lijnwaad blekerijen. Op de plaats waar ca. 1347 een kapel was gesticht in 1573 tijdens het beleg van Haarlem verwoest werd, dankzij de bemoeiingen van Adriaan Pauw, in de zomer van 1625 de Hervormde Kerk in gebruik genomen.

De eerste school, tevens huisvesting voor de schoolmeester, was achter de kerk gelegen. Uit een resolutie daterend van 1625 blijkt dat men het “schoolmeesterhuis”, hoewel eigenlijk ongeschikt, nog wat zou repareren. In hetzelfde jaar werd grond aangekocht voor zowel een pastorie als een nieuwe school. Om deze, evenals de kerk, te financieren, boorde Pauw talrijke fondsen aan, inclusief accijns op bier dat in die dagen rijkelijk vloeide, en onroerend goed belasting op verkoop van percelen.

Ook in 1625 stuurden de Staten van Holland aan Pauw een schoolorder der Latijnse Scholen, maar het is in Heemstede niet tot de oprichting van een dergelijke onderwijsvoorziening gekomen en daarom moesten de leerlingen in dit dorp die verder wilden studeren hiervoor naar de stadsschool in Haarlem. Wel is na 1669 een aantal jaren door privéleraren onderricht in de Franse, Latijnse, Griekse en zelfs Hebreeuwse taal gegeven aan intelligente en leergierige jongeren.
1630 – 1795

In 1630 was de nieuwe school gereed gekomen en kon men verhuizen van het bouwvallige “schoolmeesterhuis” achter de kerk naar “het grote Huis” ten Westen van de kerk aan de huidige Voorweg.De school bestond uit één lokaal en huisvesting voor de onderwijzer/ koster.

(Op dezelfde plaats is na verschillende renovaties en uitbreidingen, laatstelijk in 1972, nog altijd de z.g. “Voorwegschool” gevestigd, vandaar het 350-jarig jubileum in 1980! Wel moet vanuit een historisch oogpunt vastgesteld worden dat na 1818 de school tijdelijk gedurende bijna een kwart eeuw aan de Achterweg gehuisvest was.)

In de beginjaren was het ingevolge de considerans van de Leidse Keur (1578) de plicht er voor te zorgen dat de jeugd “van jongs aan beneffens goede eerlijcke consten, zedicheyt ende manierlycheyt in de vreese Gods ende begintselen van de ware Christelijcke Religie werde opgevoet, gestuyrt ende geleert”.

Behalve het onderricht in het Christelijk geloof diende het maatschappelijk onderwijs gegeven te worden en zo werd van de 17e eeuwse onderwijzer verlangt dat hij:

  • alle gedrukte boeken en geschreven brieven prompt kon lezen,
  • een goede hand schreef,
  • de Psalmen Davids “bequaemelyck” kon zingen,
  • “ter nooddruft” kon rekenen,
  • een goede methode had, om de jeugd ten spoedigste te leren

In de praktijk hield het laatste in dat een leerling in maximaal twee schooljaren kon lezen en schrijven. Ook rond 1630 was het leven van een schoolmeester niet zonder zorgen. Vrije tijd kende hij niet, vakantie was een onbekend begrip.

In die dagen was het zo, dat de meester tevens fungeerde als koster, klokluider, schoonmaker, collectant, stovenzetter, voorzanger en doodgraver en zijn geschiktheid voor deze kerkelijke betrekkingen was minstens zo’n goede aanbeveling als diens bekwaamheid voor het onderwijs. Van Paulus Pietersz. is bekend dat hij als schoolmeester 30 gulden verdiende, let wel op jaarbasis. Als koster van de Kerk ontving hij 12 gulden en om zich een redelijk bestaan te verschaffen maakte hij ook nog de kerk schoon en beheerde het kerkhof wat nog eens 6 gulden opleverde. Voor in totaal 48 gulden werd dus heel wat geëist, want als hij niet op de vastgestelde uren aanwezig was, bedroeg de boete één gulden. De helft van deze boete was bestemd voor de armen, de andere helft ten profijte van de schout (burgemeester) van Heemstede. De predikant was in die tijd met een traktement van 500 gulden heel wat beter af, doch die had dan ook geen emolumenten(!).

Het interieur van de school was zeer sober. Voor de klas stond een soort van lessenaar met een hogestoel ofwel een katheder voor de meester, en enige lange lage banken, zonder rugleuning, voor de kinderen. Schoolborden ontbraken, evenals platen/wandbordenen kasten om schoolboeken e.d. op te bergen.

Op de lessenaar lagen een bak met veren pennen, een pennemes en een slijpsteen. Daarbij enige leien en schrijfboeken, een “huisboek” met de namen der leerlingen, een bijbel, een psalmboek, een roe, een plak en een ijzeren kam. Voor het lezen werd in de 17e eeuw het zogenaamde “Haneboek” gebruikt, een voorloper van degeïllustreerde abc-boeken, die sindshet begin van de 18e eeuw aangewend werden. De oorsprong van de naam laat zich eenvoudig gissen. Op de titelpagina prijkte een haan met daaronder veelal het tweeregelige rijmpje:
“’s Morgens den Haan zijn ijver vroeg bewijst,
Leert, jonge jeugt, dat men U ook zo prijst”.

De weinige leesboekjes vloeiden over van moralistische lessen. Jacob Cats was niet voor niets met zijn wijze levenslessen onze populairste schrijver in die dagen. Tot in onze tijd bekend gebleven is voorts het door Willem Bartjens in 1639 uitgegeven boek “Cijfferinge”, waaruit de grondbeginselen van de rekenkunst konden worden geleerd.

De scholieren zaten tot in de negentiende eeuw allemaal in een lokaal en leerden spellen, lezen, schrijven, cijferen en zingen. Men begon de dag met het voorgeschreven gebed (en eindigde ook weer met gebed en het zingen van een psalm). Vervolgens werden de namen van afwezigen opgenomen, om later bij de ouders naar de reden van het verzuim te informeren. Iedereen ving met zijn werk aan, waar hij de vorige dag gebleven was. Men zat met de muts of hoed op het hoofd, ook de onderwijzer, want zijn hoofddeksel zette men thuis ook niet af. De schooltijden waren, met uitzondering van zaterdagmiddag en de erkende christelijke zon- en feestdagen, van acht tot elf en ’s middags van één tot vier uur.

Elke leerling kreeg dagelijks tenminste vier beurten om overhoord te worden. Altijd stonden er twee voor de katheder: één, waarmee de schoolmeester bezig was en één die zijn beurt afwachtte. Deze twee waren de enigen met onbedekt hoofd, immers “wie zijn hoed niet afneemt voor een man van eeren, die zal twee plakken hebben”. Aldus de bekende meester Valcoogh van Baisingerhorn, die een “Regel der Duytsche (is Nederlandse) schoolmeester” op rijm zette. Beslist noodzakelijk voor onderwijs en opvoeding waren in de zeventiende eeuw: 1) Een goede handplak van palmhout, 2) Een gard of roede van berke of wilgetakken. Verder een tiendkam, waarmee de luizenhoofden van de kinderen hardhandig werden bewerkt.

Straf bestond in het toebrengen van een aantal slagen al of niet op het ontblote zitvlak van jongen of meisje waarbij het kon voorkomen dat men enkele dagen lang niet kon zitten. De plak diende om bij straf in de open hand te slaan. Ondanks de strenge straffen waren de kinderen soms erg ondeugend. De reeds genoemde meester Valcoog klaagde bitter over de vlegels “die malcander bewerpen met snot en vloyen”. Zelfs in en rond de kerk werd baldadigheid gepleegd, zoals de godsdienstoefeningen door rumoer verstoren en ook is het voorgekomen dat jongens de rokken der vrouwen in de kerk ongemerkt aan elkaar naaiden.Al in 1624 vaardigde de Heemsteedse vroedschap een voorschrift uit om paal en perk te stellen aan de vernielingen bij de in aanbouw zijnde kerk.
In 1671 moest deze ordonnantie nog eens herhaald worden, omdat de ruiten van de kerk nog altijd als mikpunt van stenen dienden. “Alles is eerder geweest, er is niets nieuws onder de zon”, heet een bekend aforisme. Reeds de filosoof Socrates klaagde over de tuchteloosheid van de toenmalige Griekse jeugd.

Alhoewel… in 1980 namen leerlingen van de Voorwegschool voor de eerste maal in de geschiedenis het initiatief door een brief aan de lokale overheidsbestuurders te schrijven met voorstellen om de zinloze vernielingen in Heemstede te beteugelen.

Zeker is dat ook de katholieke kinderen uit Heemstede, waarvan er meer kwamen naarmate het aantal blekerijen toenam, op de in wezen Protestant-Christelijke school zaten en dat dit weinig of geen problemen heeft gegeven.

In 1637 werd voor de eerste maal een ondermeester benoemd, die in hetzelfde lokaal les gaf en door de hoofdmeester zelf aangesteld en bekostigd werd.

Van klassikaal onderwijs kon uiteraard geen sprake zijn, het was individueel waarbij de leerlingen bovendien voornamelijk zichzelf bezighielden. Vooral de pientere leerlingen konden zich met hulp van de schoolmeester handhaven.

Waarschijnlijk tussen de 60 en 80 leerlingen bezochten jaarlijks de school in de zeventiende eeuw, waarbij overwogen dient te worden dat gedurende het schooljaar een aantal leerlingen dat geen of weinig vorderingen maakte afviel.

Van 1630 tot 1795 vermelden de archieven met enkele lacunes de namen van 17 hoofdmeesters, onder hen geen enkele vrouw. Wel waren schoolmatressen ofwel leervrouwen verbonden aan de kleinkinderscholen, waarvan er al in de 18e eeuw een drietal in Heemstede heeft bestaan.

De in 1662 door de Heer van Heemstede, Gerardt Pauw goedgekeurde “Instructie voor de schoolmeester”, die inhoudelijk in grote lijnen ook gold voor de onmiddellijk daaraan voorafgaande periode, is tot de Franse Revolutie vrijwel ongewijzigd gebleven.
1795-1798

In 1795 verloor de Ambachtsheer in feite zijn rechten en werd een nieuwe municipaliteit gekozen. In dat jaar was Jan Terwogt de schoolmeester en hij moest niets hebben van het nieuwe bewind der Franse bevrijders, maar bleef een trouw aanhanger van het Oranjehuis. Vanaf 1790 had hij tot ieders tevredenheid zijn taak vervuld maar ook hij moest, als alle ambtsdragers de eed van trouw afleggen aan de nieuwe Regering. Hij weigerde dit vooralsnog door niet te verschijnen voor de burgerraad, en werd om die reden geschorst op 31 december 1795.

Een hervormingsgezinde groep burgers richt snel een verzoek aan de overheid om de schoolmeester van Berkenrode aan te stellen, als opvolger van Jan Terwogt. Deze ondertekent den op 7 februari 1796 toch maar de Eed. Hij had uiteindelijk zeven monden te voeden! Ruim twee jaar weet hij zijn gevoelens van trouw aan de Oranjes te onderdrukken, maar dan kan hij zich toch niet meer verenigen met het nieuwe bewind. Op 21 maart 1798 besluit de municipaliteit: “De burger Jan Terwogt, bekend als een aanklever van het orange aristocratische Bestuur, van zijn post te ontzetten en in zijn plaats een bekwaam en weldenkend persoon aan te stellen”.

Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Jawel, het klinkt zo mooi, maar in dit kleine Heemstede werd een felle strijd gestreden en kwam er van de idealen niet veel terecht. In het vierde jaar van de Bataafse Vrijheid moesten binnen een maand alle nutteloze en onwaardige plaatselijke ambtenaren van hun posten ontslagen worden. De opvolgers waardige en kundige Vaderlanders – moesten verklaren een onveranderlijke afkeer te hebben van het Stadhouderschap, de Aristocratie, de Regeringloosheid en het Foederalisme.

Afgezien van de predikant die geschorst wordt en kort daarop overlijdt, zijn de schoolmeester en de vroedvrouw slachtoffers van deze regeling, maar zij dienen een rekest in bij de hogere instanties in Den Haag. Het antwoord is dat de ontslaggrond niet toereikend is, men dreigt zelfs de nieuw te benoemen functionarissen te ontslaan. Het mag niet baten. Een actiegroep van Heemstedenaren stuurt een brief met handtekeningen ten gunste van de familie Terwogt, echter tevergeefs. Een kwekeling van 18 jaar wordt snel tot schoolhoofd gepromoveerd. Overigens achteraf geen slechte keuze, want Abraham Harrebomée, opgeleid aan de in 1796 opgerichte Kweekschool in Haarlem, blijft 54 jaar lang (!) de Heemsteedse jeugd onderwijzen.
1798-1915

De 19e eeuw begint met een andere aanpak van het onderwijs in Nederland. In 1801 worden schoolopzieners aangesteld; voor Heemstede was dit de bekende onderwijsvernieuwer P.J. Prinsen uit Haarlem. Vóór die tijd moest iedere schoolmeester zelf maar zien hoe hij de jeugd elementaire kennis bijbracht.

De vervanging van de federale Republiek der Verenigde Nederlanden door de ene en ondeelbare Bataafse Republiek maakte bovendien de weg vrij voor een nationale wetgeving en in 1806 kwam reeds de derde onderwijswet tot stand die tot 1857 behoudens enkele wijzigingen standhield.

In 1818 verhuist de Voorwegschool naar de Achterweg, omdat het oude in 1630 betrokken schoolgebouw in verval was geraakt. Ook daar is de school nog altijd één lokaal groot met een onderwijzer en ong. 150 leerlingen. In 1822 is dit aantal tot 165 gestegen en wordt een ondermeester aangesteld, alsmede een nieuw schoolreglement van kracht. Hoofd is nog steeds de heer Harrebomée als in 1841 plannen worden gemaakt voor terugkeer naar een gerenoveerd schoolgebouw aan de Voorweg. Dit gebouw is uiteindelijk toch niet gesloopt, zoals aanvankelijk de bedoeling was, maar wordt verbouwd voor een bedrag van f. 9.350. Om een en ander te realiseren sloot de gemeenteraad een lening van f. 7.000 bij graaf van Westerholt, eigenaar van de buitenplaats “’t Clooster”. Burgemeester J. Dolleman stelde zich in het belang van de gemeente persoonlijk borg voor deze lening. In het nieuwe plan bevindt zich wederom slechts één lokaal, maar zal een “separatieschot” worden aangebracht. Met in totaal 150 tot 200 leerlingen geen overbodige luxe zouden we nu zeggen. Maar in die tijd vond men nog dat een onderwijzer niet voor de klas kon gaan staan, dat was een vernedering. De kinderen behoorden één voor één bij hem te komen. Waarschijnlijk in november 1842 is het vernieuwde schoolgebouw aan de Voorweg wederom in gebruik genomen.

Begin 1849 treedt een tweede ondermeester in dienst, Januari 1851 krijgt de heer Abraham Harrebomée, op 73-jarige leeftijd eervol ontslag. Voor Heemstede is hij een zeer verdienstelijk man geweest. Vele jaren was hij ook regent een boekhouder van het wees en armenhuis, evenals voorzanger in de Hervormde Kerk. Een jaar later betrekt de heer H.H.B. Binnewiertz een katholiek afkomstig uit Delft het schoolhuis, omdat de Heemstedenaar P. Vergers, bekend als schrijver van talrijke geschiedkundige boeken, gepasseerd wordt. Dit was voor een aantal Protestanten, Nicolaas Beets voorop, aanleiding om een Christelijke school op te richten, met P. Vergers als eerste hoofdmeester. Ook Binnewiertz heeft nevenfuncties als lid van het Parochiaal Armbestuur, klokkenist en vertegenwoordiger van een verzekeringsmaatschappij. Hij blijft acht jaar tot 1860 maar na twee jaar is hij al zo vertrouwd met de gemeente en haar historie dat hij hierover een boekje laat verschijnen (dat in 1974 in facsimile is heruitgegeven).

Zijn opvolger was Jacob van Term die het in de 18 en een half jaar dat hij hoofd was zeker niet makkelijk had. Meer dan 250 leerlingen in een schoollokaal met separatiewand. Er was veel schoolverzuim en hulponderwijzers waren nauwelijks te krijgen en konden de zware taak ook nauwelijks aan.

In 1879 wordt P.J Staal als hoofdmeester benoemd. Al snel vraagt hij de gemeenteraad om drastische veranderingen. Een nieuwe school moest er komen! Met zeven lokalen. En zo geschiedde. Gelukkig kon men naast de school een stuk grond kopen. Het besluit werd begin 1882 genomen en op 1 november van datjaar kon de uitgebreide school geopend worden.

Tegelijk met deze heuglijke gebeurtenis begroette de school haar eerste onderwijzeres. Maar niet na vele moeilijke discussies in de gemeenteraad. In 1895 wordt een achtste lokaal bijgebouwd en steeg het aantal leerlingen tot een recordhoogte: 367.

Omstreeks 1900 treedt echter een snelle daling in. Weliswaar wordt dan de leerplichtwet ingevoerd, waardoor het verzuim minder wordt, doch in deze tijd worden ook een R.K.-meisjesschool en een R.K.-jongensschool opgericht. Een aardverschuiving is het gevolg. In 1911 heeft de openbare Voorwegschool nog slechts 113 leerlingen, de protestantse 180 en de katholieke scholen samen 486 leerlingen. Als de heer Staal in 1915 om gezondheidsredenen genoodzaakt is afscheid te nemen van de 82 scholieren is dat verdrietig en tragisch, maar namens de Gemeente klinkt er niets dan lof over zijn persoon en werk.
1915-1980

De eerste wereldoorlog stagneert de uitvoer en betekent werkloosheid in de bloembollencultuur, dan nog het hoofdbedrijf in de gemeente Heemstede. Moeilijke tijden ook voor het onderwijs, o.a. veel schoolverzuim en dat terwijl ’s winters maar vier dagen per week wordt lesgegeven in verband met het brandstof gebrek. Als in 1918 de oorlog is afgelopen slaat de Spaanse griep toe: in Heemstede overleven veertig inwoners de epidemie niet.

Dan, in 1920, wordt ook een U.L.O. school geopend in het gebouw aan de Voorweg. In 1924 sloopt men twee belendende woningen en bouwt men het gymnastieklokaal.De U.L.O. telt nog maar 22 leerlingen maar bij de lagere school is het aantal gestegen tot 190. Dan 1927: Haarlem annexeert het noordelijk deel van Heemstede en een nieuwe school wordt opgericht: de Bronsteeschool. De heer de Jong, sinds 1915 hoofdonderwijzer van de Voorwegschool, stapt in dezelfde functie over naar de nieuwe school en neemt bovendien de U.L.O. mee.

Weer drie jaar later, 1930: de Dreefschool wordt geopend, de heer Kikkert die net drie jaar onderwijzer op de Voorwegschool was, stapt over naar de Dreefschool.

1938 Feestelijke opening van de Crayenesterschool, de heer A.C. Thürkow echter schuift niet op, maar blijft trouw aan de Voorwegschool.

Vervolgens breekt de tweede wereldoorlog uit, toen de tweede ondertekenaar van deze bijdrage zelf op de Voorwegschool zat. Misschien geen geschiedschrijving maar flitsen schieten te binnen uit deze tijd: Boerenklompenschooltje (zei men toen…);Gaarkeuken in de hongerwinter; groot toneel met trap en koulissen in het gymnastieklokaal als Sint Nicolaas in aantocht was. De toiletten die nog aan het lokaal gebouwd waren: “Juf, mag ik even naar achteren…”. Twee leerlingen die door granaatscherven geraakt werden op de Cruquiusbrug. Meester Boekweit van de vierde klas. Het voorlezen van o.a. Paddeltie en “De scheepsjongen van Bontekoe”. Juf Jellema zal ik nooit vergeten en meneer Stavinga (oom Tamme, want mijn moeder kende hem nog uit Friesland). En last but not least de heer Thurkow die schaaklessen gaf en in de oorlog doorging met ons te laten zingen: “Waar de blanke top der duinen……’k Heb U lief mijn Nederland” en zelfs het Wilhelmus, met de deuren naar de straat demonstratief open.

In 1972 is de Voorwegschool vernieuwd na een ingrijpende renovatie. Zo hebben verschillende klassen er een aparte werkruimte bijgekregen, dit in het kader van het streven naar individualisering van het onderwijs. De bestaande hal werd omgezet in een gemeenschapsruimte, alwaar ook het documentatiecentrum is ondergebracht. Volgens een globale schatting hebben meer dan 10.000 Heemsteedse jongeren in 3,5 eeuw onderwijs genoten aan de aloude, nog immer bloeiende, Voorwegschool. In het jubileumjaar 1980 zijn het er ong. 200; de wens is gerechtvaardigd dat er nog velen mogen volgen. Inmiddels heeft de Voorwegschool landelijk en zelfs buiten de grens geschiedenis geschreven. De Voorwegschool is de eerste gesponsorde basisschool in Nederland hetgeen mede heeft geleid tot het opstellen van een sponsorconvonant door de staatssecretaris voor het gehele Nederlandse onderwijs. Op 1 oktober 1999 telt de school ongeveer 400 leerlingen met 15 groepen.
1980-heden

In januari 2000 zijn er 6 nieuwe lokalen bijgebouwd. Hiermede telt de school thans 16 jaargroepen.

In september 2001 worden wederom 2 lokalen geopend. Hierdoor komt de Voorwegschool op 17 jaargroepen en ongeveer 450 leerlingen op 1-10-2001. In 2005 bestaat de Voorwegschool 375 jaar. Op dat moment telt de school ongeveer 425 leerlingen en er werken 35 onderwijsgevenden. De school is op weg naar een nieuwe bestuursvorm openbaar onderwijs Kennemerland.

Geraadpleegde literatuur:

  • Dolleman, Willem. Verhaal van al hetgeen merkwaardig is voorgevallen in en omtrent de Heerlijkheid van Heemstede voor soo veree zulks heeft kunnen nagespoort worden uyt de gesciedenissen en uyt de charters, boeken, documenten, registers en papieren, op ’t comptoir aan den Huyze van Heemstede berustende van de oudste tijden af. (Manuscript in boekvorm aanwezig in gemeente-archief; kopie in gemeentebibliotheek).
  • Duinen, G. van. Geschiedenis van het onderwijs in Heemstede. Deel I -1600-1800. Deel II -1800-1954. Heemstede, 1953 – 1954. (Bevat een opsomming van (hoofd)onderwijzers sedert circa 1620.)
  • Groesbeek, J.W. Heemstede in de historie. Heemstede, 1972.
  • Lennep, D.E. van. Schets der geschiedenis van de kerk der Nederduitse Hervormde Gemeente van Heemstede. Heemstede, 1925. (Overgenomen in: gedenkboek: De Hervormde Kerk te Heemstede; 1622, 1625 – 1975, 1977.Heemstede, 1977.)
  • Peper, C. De schoolmeester in Heemstede. In: Heemsteedse Courant, edities van 1 mei en 5 juni 1969.
  • SchuitemakerCz., J. Iets over de scholen en het onderwijs in vroeger tijd. In: De Prins, 1925 (kerstnummer, blz. 44-45).